Saturday, May 4, 2019

9. Loreley, om nooit meer te vergeten


De heenreis met de camper heeft ongeveer net zo lang geduurd als 54 jaar geleden met het motorschip ZAMBESI, een ruime week. Daar moet ik wel een kanttekening bij plaatsen. Ik ben niet tot aan Bazel gegaan. Dat heeft twee redenen. Ten eerste is het heel moeilijk, zo niet onmogelijk, om met een auto dicht bij de Rijn te blijven. Sterker, de meeste tijd zie je de Rijn helemaal niet en vaak leiden de wegen – ook de kleinere wegen – je ver van de rivier af. Dus een reis over de weg met als doel het gevaren traject zo veel mogelijk te volgen, is eigenlijk niet realiseerbaar. 

De tweede reden is, en dat heb ik eerder ook geschreven, dat ik me niet veel meer van de heenreis kan herinneren. Nu zie ik bijvoorbeeld, langs het water rijdend, hoe sterk de stroom in de Midden- en Boven-Rijn is. Hoe veel opstakels in de vorm van rotsen, eilanden met kastelen en zandbanken er in het bergachtige deel tussen Koblenz en Mainz liggen. Gewoon vergeten? Of toen nauwelijks oog voor gehad? Ik denk het laatste. Twee maal ben ik met een groot zeeschip de Atlantische Oceaan overgestoken. De eerste keer als koksmaat op een schip van de HAL van Rotterdam naar Montreal. En vijf jaar later als dienstplichtig soldaat op weg naar Suriname. Van de laatste reis kan ik me nauwelijks meer iets herinneren. Geen idee wat ik gezien en gedaan heb. Maar van de reis naar Canada weet ik nog heel veel. Het verschil? Naar Suriname was ik passagier, ik hoefde niets te doen, ik liet me vervoeren. Maar op het schip van de HAL moest ik verschrikkelijk hard werken. Vele uren per dag en zeven dagen in de week. Ook nog werk waar ik een enorme hekel aan had: pannen schoonmaken in het afwashok van de keuken. Ook kwam ik van het ene moment op het andere in een wereld terecht die mij totaal onbekend was: van tegen elkaar vloekende en scheldende zeelieden. Dat zijn ervaringen die met een roestige spijker in je geheugen gekrast worden.

Aan één plaats van de bootreis van 54 jaar geleden heb ik wel een duidelijke herinnering. Ongeveer halverwege de reis werd ons verteld dat we aan dek moesten komen. Eerst stonden we ons daar een tijdje af te vragen wat er aan de hand was, want er was verder niemand. Maar toen zagen we de matroos verschijnen. Niet in zijn normale kloffie, maar met een pruik van touw op zijn hoofd, een jurk in de vorm van een aardappelzak aan en een drietand in zijn hand. Hij was Neptunus, dat begrepen we wel. Maar waarom?
Met een gemaakt deftige stem begon hij ons toe te spreken. Hij vertelde dat wij nu voor de eerste keer in ons leven de berg Loreley passeerden en dat het traditie was dat wij
dan door Neptunus gedoopt werden. Hij vertelde kort het verhaal van de Loreley als gevaarlijke bocht in de rivier de Rijn waar vroeger soms op een rots een jonge vrouw zat die prachtig kon zingen. Ze verdoofde en verblindde de zeelieden dan zo dat ze niet goedmeer konden sturen, zodat het schip op de rotsen liep en ze allemaal verdronken. Het dopen moest ons hiertegen beschermen. Dat was natuurlijk grappig, maar ik vond het zelf vooral een aardige gedachte dat ik nu, zeer tegen de zin van mijn sterk antikerkelijke vader, toch nog gedoopt was.

Die ene herinnering van dat dopen moest ik op deze reis natuurlijk wel herbeleven. Op donderdagochtend 2 mei ben ik naar een camping in Sankt Goar Hausen gegaan. ’s Middags met de fiets naar de voet van de Loreley en daarna te voet alle 400 treden omhoog. Zwaar hijgend en zwetend ben ik boven aangekomen. Kijk, dat vergeet ik nou ook nooit meer!

No comments:

Post a Comment