Friday, May 10, 2019

11. Jeugdige onbevangenheid


Wat me het meest verbaast nu ik de kanotocht van meer dan 50 jaar geleden met de camper “overdoe”, is hoe we het lef hadden – of was dat jeugdige onbevangenheid? – om zo’n enorme en ook gecompliceerde reis vrijwel zonder voorbereiding te maken. En misschien is dat wel het meest bijzondere, ook nog tot een goed einde wisten te brengen. Hoe kan het bijvoorbeeld dat we helemaal geen waterkaarten bij ons hadden? Te duur of niet verkrijgbaar? Het kan allebei. Een waterkaart heb je nodig om de juiste weg te vinden.
Dat leek op papier niet zo moeilijk. Bij Straatsburg links af en bij het begin van de Maas (Troussey) rechts af. Verder gewoon doorvaren. Maar door het ontbreken van een waterkaart hadden we ook geen idee voor hoeveel verrassingen, obstakels en problemen we keer op keer geplaatst zouden worden. Maar ook daar gaven we niets om. Het hoorde er allemaal gewoon bij.

Hoe we bij Straatsburg de juiste afslag gevonden hebben om in het Marne-Rijn Kanaal te komen? Geen idee. Wel zag ik nu dat als we de ingang gemist hadden, we een groot probleem hadden gehad. Ik weet niet of we sterk genoeg waren geweest om tegen de sterke stroom in terug te peddelen. Maar ik kan me niet herinneren dat we ons daar toen ook maar één seconde zorgen over gemaakt hebben.
Wel weet ik dat we vóór Straatsburg, uiteraard ook tot onze verrassing, weer op een snel stromende Rijn terecht kwamen. Het meest blij waren dat de schuin oplopende betonoever er nu niet meer was, zodat we gemakkelijker aan de kant konden komen. Tegen de avond zagen we aan de oever aan de oostkant een geschikte plek om de tent op te zetten. Een stuk gras met bos erachter. Niet te veel boven het water zodat we de kano’s gemakkelijk op de kant konden trekken.

Maar voor we de kano’s gingen uitladen wilden we eerst nog even van het gedenkwaardige moment genieten dat we het eerste traject van onze reis met succes afgesloten hadden. Een mooi moment voor een foto met de zelfontspanner. We gingen er goed voor staan, proberend de illusie te wekken dat we daar toevallig en ongemerkt door iemand gefotografeerd werden. Daardoor hadden we niet in de gaten hadden dat er net een vrachtschip met een grote snelheid stroomafwaarts aan kwam varen en daardoor een enorme hekgolf produceerde. De foto was nog maar net gemaakt, of die golf sloeg over onze kano’s die nog half boven het water hingen. We konden nog maar net voorkomen dat ze terug de Rijn in gezogen werden. We wisten nu in ieder geval wel dat de kano’s voor de nacht verder van het water af gebracht moesten worden. En dat we de tent op een wat hoger gelegen stuk moesten opzetten.

Na het eten – altijd door de kookvaardige Lex bereid – lagen we in de tent uit te buiken en de dag na te bespreken. Het werd al wat schemerig, tijd voor een lampje – kaarslicht in een reflecterende standaard – en wat lezen. Maar daar kwam niets van terecht. Van het ene moment op het andere had een muggenluchtvloot besloten om massaal tot de aanval over te gaan. Van alle kanten werden we gestoken. En boven ons hing een inktzwarte wolk met nog veel meer naar bloed hongerende steekbeesten. Zo snel als we konden, bedekten we ons met kleren, smeerden onze handen en ons gezicht in met een middel tegen de muggen en kropen direct in de slaapzak.

De volgende dag voeren we Straatsburg in. Je kunt het je nu niet meer voorstellen, maar ik denk niet dat we één keer op een camping gestaan hebben. Die waren er toen niet. We zetten de tent gewoon op waar we dachten dat het een goede plek was. En als het een stuk grond was dat aan iemand toebehoorde en aan wie we toestemming konden vragen - en altijd kregen - deden we dat. Maar in deze grote stad was dat lastiger. Uiteindelijk kwamen we bij een gebied met sportvelden. Het was al avond en veel tijd en zin om nog verder te peddelen hadden we niet. Er was niemand te bekennen en onder het motto “gras is gras” zetten we de tent op en gingen eten. In de loop van de avond was het gaan regenen en tegen de tijd dat we in de slaapzakken kropen hoosde het. Het maakte ons niet uit. Wij lagen lekker droog en het ritmische getik op het tentdoek maakte wakker blijven praktisch onmogelijk. Toch gebeurde dat midden in de nacht. Iemand stond aan de tentpaal te schudden. We openden de tent en keken naar buiten. Daar stonden twee Franse politieagenten. Het water droop van hun ronde petten en donkerblauwe capes. Ze maakten ons duidelijk dat wij hier niet mochten kamperen. We moesten onmiddellijk uit de tent komen, die afbreken, in de kano’s stoppen en vertrekken. Na een lang gesprek – zij buiten in de regen en wij in de droge tent – lukte het ons om de agenten in ons gebrekkige schoolfrans er van te overtuigen dat het niet mogelijk was om een natte tent in te pakken. Hoe we dat voor elkaar kregen? Ook weer geen idee. Het kan niet anders of ook dat moet onze jeugdige onbevangenheid zijn geweest. Ach, waar is die toch gebleven?

No comments:

Post a Comment